In het boek De Rijnsburger Collegianten *) komt de roerige patriottentijd in Nederland aan de orde, de strijd tussen de patriotten en de prinsgezinden in de periode 1780-1795. Het is een strijd van gegoede burgers tegen de heersende machtdragers onder koning Willem de Vijfde. De burgers wilden ook macht.
Via deze machtstrijd kwam ik het begrip ‘oligarchie’ tegen en dat leidde mij naar Robert Michels ( Duitsland, Italië, 1876-1936 ), die de IJzeren wet van de oligarchie formuleerde. De wet zegt dat elke organisatie(vorm) zich ontwikkelt tot een oligarchie, ongeacht de vorm die de organisatie in het begin had. Dus of die monarchistisch, autocratisch, tiranniek, democratisch was, uiteindelijk wordt elke organisatie een oligarchie.
Dat komt omdat in elke organisatie elke dag problemen ontstaan die om een oplossing vragen en het in de praktijk niet mogelijk is om alle leden op elk moment mee te laten beslissen over de oplossing. Daardoor vormt zich een groep van leiders, groter of kleiner, en, als de organisatie wat groter is, een groep van ondersteuners. Hoeveel te groter de organisatie, hoeveel meer behoefte aan een hiërarchie en een bureaucratie. De macht komt zo bij de top van de hiërarchie, die echter niet zonder hiërarchie kan functioneren.
De wet van Robert Michels sluit aan bij de eerdere elitetheorie van Gaetano Mosca**) ( en Vilfredo Pareto, beide uit Italië ). Volgens Mosca worden alle samenlevingen, behalve de primitiefste, geleid door een getalsmatige minderheid. Een samenleving heeft daarom altijd een kleine groep leiders, de élite, en een grote groep geleiden.
De machtsstructuur wil zichzelf in stand houden, ook omdat deelnemen aan de structuur voordelen meebrengt, niet alleen voor de top, maar ook voor de lagere delen van de hiërarchie. Er ontstaan spanningen als de structuur te weinig rekening houdt met de belangen van hen die verder van de structuur af staan en/of wier belangen niet of niet voldoende door de structuur bediend worden. Dat gebeurde tijdens de patriottentijd en ik denk dat dit ook de bron is van het ontstaan van de Republiek van de Verenigde Nederlanden, twee eeuwen eerder.
Over onze tijd schrijft Roxane van Iperen in Eigen welzijn eerst. Ik denk dat de theorie van de élite-overproduktie die ze noemt niets toevoegt aan de ijzeren wet, maar de angst voor afglijden doet dat wel. De twijfel aan de belofte van de meritocratie, die Michael Sandel beschrijft in De tirannie van de verdienste ligt in dezelfde lijn, net als Het nationaal-socialisme als rancuneleer van Menno ter Braak. Alle titels benoemen emoties die ten grondslag liggen aan verzet tegen de heersende oligarchie : angst, twijfel, rancune.
Voor mij is de ontdekking van de oude IJzeren wet een openbaring, die me de toestand van de wereld van vandaag ( FvD en USA ) beter doet begrijpen.
—
*) Geschreven door J.C. van Slee in 1895 ( geen typefout ). De Rijnsburger Collegianten was een groep vrijzinnig gereformeerden / protestanten, die voortkwam uit het verbod op de remonstrantse stroming in de gereformeerde kerk van Nederland, dat op de synode van Dordrecht in 1619 werd uitgebracht. Omdat Baruch Spinoza van 1661 tot 1663 in Rijnsburg heeft gewoond en zijn godsbegrip nogal vrijzinnig is, is een verband met deze vrijzinnige collegianten voorstelbaar. Van Slee ziet zo een innige verbinding echter niet. Wel waren vrienden / bekenden van Spinoza ook deelnemer aan de colleges. Voor de collegianten stond vrij spreken voorop als / in de geloofsoefening.
**) 1858-1941







